Tien voorleestips die U helpen bij het interactief voorlezen aan dreumes, peuter of kleuter.
Voorleestips |
Hoe? |
Waarom? |
| Weet wat u leest! |
U leest het boek eerst zelf, en bekijkt waar het boek precies over
gaat: Wat is het probleem? Wat gebeurt er allemaal? Hoe loopt het
af? |
Als u weet waar het verhaal over gaat, kunt u van tevoren bedenken
wat u kunt uitleggen en vragen tijdens het voorlezen. |
| Je eigen voorleesritueel |
Lees het boek voor op een rustige plek en op een gezellig moment
van de dag. Dat hoeft niet alleen voor het slapen gaan te zijn. Misschien
zijn er in huis voorwerpen die passen bij het boek? Pak ze erbij! |
Met een pop of knuffel die lijkt op één van de hoofdpersonen
in het verhaal, kunt u het verhaal naspelen. Als u dat
regelmatig doet, ziet een kind steeds beter hoe verhalen 'in elkaar
zitten'. |
| Bekijk samen de kaft |
Lees de titel van het boek voor en praat met uw kind over de voorkant.
Maak het nieuwsgierig naar het verhaal. |
Als u de kaft samen bekijkt, kunt u samen met uw kind bedenken waar
het boek over zou kunnen gaan. |
| Laat uw kind vertellen |
Geef uw kind gelegenheid om iets te zeggen als u het verhaal voorleest.
Het gaat erom dat uw kind praat, dus alle opmerkingen over het verhaal
zijn goed. |
Uw kind heeft eigen ideeën en gevoelens over het verhaal en
kan ook meepraten vanuit eigen ervaringen. Daar kunt u dan weer op
ingaan. Zo blijft uw kind betrokken bij het verhaal. |
| Speel in op reacties |
Neem opmerkingen van uw kind serieus. Vraag bijvoorbeeld door als
uw kind een opmerking tussendoor maakt. |
Kinderen hebben veel te vertellen. Het is leuker om mee te gaan
met de verhalen van de kinderen, dan strak vast te houden aan het
boek. |
| Voorspel samen het verhaal |
Vraag op spannende momenten aan uw kind hoe het verhaal verder zou
kunnen gaan. |
Door na te denken over wat er allemaal kan gebeuren, denken kinderen
goed na. Hierdoor leren ze in hun dagelijks leven ook beter om naar
oplossingen te zoeken voor problemen. |
| Besteed aandacht aan moeilijke woorden |
Bedenk welke woorden moeilijk voor uw kind kunnen zijn. Als uw kind
het woord niet kent, kunt u helpen. |
U kunt uw kind helpen om nieuwe woorden te leren door bij een moeilijk
woord een plaatje aan te wijzen, iets voor te doen, of een voorbeeld
te geven. Zo onthoudt uw kind het woord beter. |
| Maak het levendig |
U kunt bij het voorlezen ondersteunende geluiden of bewegingen maken
of uw kind vragen om iets (voor) te doen. |
Het verhaal wordt duidelijker en uw kind blijft enthousiast. |
| Praat na over het boek |
Laat uw kind het verhaal navertellen aan een broertje of zusje. |
Door het verhaal aan een ander te vertellen en erover na te praten
gaat uw kind het verhaal beter begrijpen. |
Herhaling: lees het boek vaker voor
|
Waarschijnlijk zal uw kind vragen om het boek nog een keer voor
te lezen. Dat is ook goed. Uw kind leert er iedere keer weer iets
nieuws van.
 |
Als uw kind het prentenboek een paar keer heeft gezien, gaat hij
het verhaal steeds beter snappen. Uw kind leert dan steeds weer nieuwe
dingen.
 |